Veelgestelde vragen

Klik op een vraag om het antwoord te zien.

Moet ik nog meer doen na het doorlopen van de zelfinspectietool Gevaarlijke stoffen?

Dat hangt ervan af. Blootstelling aan gevaarlijke stoffen is maar één onderdeel van uw Arbobeleid. Om te beoordelen of uw organisatie in het algemeen ?Arbo-proof? is, raadpleegt u de zelfinspectie Arbo-op-orde! En als uw bedrijf direct of indirect met chemische stoffen werkt, heeft u ook wettelijke verplichtingen vanuit de Europese verordeningen REACH en CLP. Bijvoorbeeld als u chemische stoffen importeert, produceert, mengt, verhandelt, opslaat of gebruikt. Check wat u moet doen op de RIVM-website Chemische stoffen goed geregeld!

Kijk ook op Arboportaal of raadpleeg de publicatiereeks Gevaarlijke stoffen.

Welke stoffen vallen onder REACH?

De meeste stoffen vallen onder REACH. Er zijn enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld radioactieve stoffen en afvalstoffen. Maar let op! Deze stoffen kunnen wel gevaarlijk zijn volgens de Arbowetgeving. Welke REACH-verplichtingen gelden, is afhankelijk van hoe gevaarlijk een stof is en hoeveel van die stof u maakt, mengt, importeert, verhandelt, vervoert of gebruikt.

Wilt u checken wat u moet doen? Ga dan naar de RIVM-website Chemische stoffen goed geregeld!

Wat heeft REACH te maken met Arbo?

Er is een sterke relatie tussen REACH en uw arbobeleid. Een belangrijk aspect van REACH is de kennis over de gevaareigenschappen van stoffen, de beheersing van de risico's, en de communicatie daarover in de keten. Zonder deze informatie kunt u onmogelijk een goed Arbobeleid op het gebied van gevaarlijke stoffen voeren. Maar er zijn ook verschillen. Bijvoorbeeld dat REACH sommige stoffen of kleine hoeveelheden uitzondert van bepaalde verplichtingen, terwijl het Arbobesluit bepaalt dat u de blootstelling aan álle gevaarlijke stoffen goed moet beheersen. Lees de Handreiking REACH en Arbo.

Wat zijn gevaarlijke stoffen?

Stoffen, mengsels of oplossingen zijn gevaarlijk als zij de gezondheid van uw werknemers kunnen schaden en/of als zij de veiligheid verminderen bij incidentele of langdurige blootstelling.

Met gevaarsetiket
Een groot aantal gevaarlijke stoffen is direct herkenbaar aan een gevaarsetiket. U ziet bijvoorbeeld een vlam, uitroepteken of doodshoofd op het etiket. Dit symbool staat dan ook op de het veiligheidsinformatieblad (VIB). Elk gevaarsetiket duidt op een bepaalde risicovolle eigenschap. Op de website van CLP/EU-GHS vindt u meer informatie over de betekenis van de etiketten. De verklaring van de etiketten is vastgelegd in de de Europese regelgeving CLP (Classification, Labelling and Packaging of chemicals), ook wel EU-GHS genoemd.

Zonder gevaarsetiket
Niet alle gevaarlijke stoffen dragen een gevaarsetiket. Sommige stoffen ontstaan pas bij werkzaamheden. Denk bijvoorbeeld aan lasrook of dieselmotoremissie (DME). Ook bepaalde natuurlijke stoffen, zoals kwartsstof of houtstof, kunnen gevaarlijk zijn.

Moet ik ook stoffen voor huishoudelijk gebruik inventariseren?

Alleen als u deze stoffen professioneel gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan chloorbleekloog in de schoonmaakindustrie. Maar de gootsteenontstopper in de keuken hoeft u niet op te nemen in uw inventarisatie.

Moet ik ook gevaarlijke stoffen beoordelen waarmee mijn werknemers helemaal niet in contact komen?

Nee, dat hoeft niet. Als de stoffen goed verpakt binnenkomen, en de verpakking blijft altijd gesloten, dan worden uw werknemers niet blootgesteld aan die stoffen. Beoordeling is dan niet nodig. U moet deze stoffen wel inventariseren. Daarbij vermeldt u wat de gevaarlijke eigenschappen zijn van de stoffen.

Die gegevens gebruikt u voor het calamiteitenplan dat u ook moet opstellen. Want bij brand of een andere calamiteit lopen uw werknemers toch gevaar van blootstelling. In het calamiteitenplan beschrijft u wat u doet om de gevaren van blootstelling bij een calamiteit zo veel mogelijk te beperken.

Als blootstelling heel weinig voorkomt
Sommige stoffen gebruikt uw bedrijf niet dagelijks, maar bijvoorbeeld alleen bij onderhoudswerkzaamheden. Uw werknemers komen er dan toch af en toe mee in aanraking. Daarom moet u die stoffen wél inventariseren en beoordelen.

Wij zijn een groothandel, we verhandelen gevaarlijke stoffen. Moet ik daarvoor ook de grenswaarden bepalen?

Nee, dat hoeft niet. Als de stoffen goed verpakt binnenkomen, en de verpakking blijft altijd gesloten, dan worden uw werknemers niet blootgesteld aan de stoffen. De blootstelling blijft dan altijd onder de grenswaarde. U moet deze stoffen wel inventariseren. Daarbij vermeldt u wat de gevaarlijke eigenschappen zijn van de stoffen.

Die gegevens gebruikt u voor het calamiteitenplan dat u ook moet opstellen. Want bij brand of een andere calamiteit lopen uw werknemers toch gevaar van blootstelling. In het calamiteitenplan beschrijft u wat u doet om de gevaren van blootstelling bij een calamiteit zo veel mogelijk te beperken.

Moet ik de stoffen van de technische dienst ook beoordelen?

Ja. U moet alle gevaarlijke stoffen beoordelen die in uw bedrijf gebruikt worden. Dus ook de stoffen die niet direct te maken hebben met de hoofdwerkzaamheden van uw bedrijf. U kunt hier wel pragmatisch mee omgaan. Bijvoorbeeld door een groeps- of clusterbeoordeling te maken. Dit betekent dat u eerst inventariseert welke stoffen de technische dienst gebruikt. Daarna bepaalt u welke stof hiervan de meeste risico’s oplevert (vanwege zijn gevaarlijke eigenschappen of om andere redenen, bijvoorbeeld: toepassing in grote hoeveelheden, onder hoge druk of op hoge temperatuur).  U beoordeelt het blootstellingsniveau voor deze stof, en u neemt maatregelen om uw werknemers hiertegen te beschermen. Het idee is dat uw werknemers hiermee ook voldoende beschermd zullen zijn voor de overige stoffen.

Ik heb heel veel gevaarlijke stoffen. Wat nu?

Als uw bedrijf met heel veel verschillende gevaarlijke stoffen werkt, hoeft u niet alle stoffen in één keer te inventariseren en beoordelen. Begin met de stoffen die het meeste risico opleveren. Bijvoorbeeld met kankerverwekkende stoffen. Of met de stoffen die veel gebruikt worden. Of met de stoffen die in kleine hoeveelheden al een groot effect hebben op de gezondheid. U bepaalt zelf de meest verstandige volgorde. Daarvoor heeft u minstens de volgende gegevens van de stof nodig:

- naam
- samenstelling
- risico’s
- grenswaarde
- gebruik (hoe vaak en waar gebruikt u de stof; veel of weinig; binnen een open of gesloten systeem?)

Let op! Als werkgever bent u aansprakelijk voor de keuzes die u hierbij maakt. Na de meest risicovolle stoffen werkt u stapsgewijs verder, totdat u alle gevaarlijke stoffen heeft geïnventariseerd en beoordeeld. Klik voor een voorbeeld van een prioriteringssystematiek.

Welke gegevens moet ik inventariseren?

Voor iedere gevaarlijke stof waarmee uw werknemers in aanraking kunnen komen, moet u een aantal gegevens registreren.  De vetgedrukte gegevens in deze lijst zijn verplicht volgens de Arbowet. De overige gegevens heeft u in een later stadium nodig om de blootstelling te kunnen beoordelen. Het is daarom handig deze gegevens ook te registreren.

- naam van de stof: de productnaam die op de verpakking staat
- samenstelling van de stof of mengsel: uit welke chemische componenten bestaat de stof?
- % in product of stof: hoeveel % van de chemische component zit in de stof of het mengsel?
- CAS-nummer of EG-nummer: uniek nummer voor chemische stoffen
- dampspanning: geef de dampspanning van de stof aan in mbar (=100Pa) bij 20° C
- gevaarsymbolen: vermeld de gevaarsymbolen volgens EU-GHS, deze zijn te vinden op het VIB (Veiligheidinformatieblad) of SDS (Safety Data Sheet)
- gevaarzinnen: vermeld de R- en H-zinnen volgens EU-GHS, deze zijn te vinden op VIB of SDS
- gezondheidseffect: beschrijf de gezondheidseffecten die de stof kan veroorzaken
- grenswaarde: geef de grenswaarde van de stof aan in mg per m3
- type grenswaarde: vermeld het type grenswaarde (bijvoorbeeld TGG-15 min)
- vast/vloeibaar/gas: in welke vorm kan de stof voorkomen? Als een vloeistof, gas of vaste stof?
- aantal werknemers dat kan worden blootgesteld aan de stof
- afdeling: op welke afdeling vindt de blootstelling plaats
- soort arbeid: in welke omstandigheden wordt er met de stof gewerkt? Of bij welke werkzaamheden kunnen werknemers in aanraking komen met de stof?
- taak/handeling: bij welke taak of welke handeling wordt de stof gebruikt of kan de stof vrijkomen?
- blootstellingstijd: beschrijf bij welke werkzaamheden de werknemer kan worden blootgesteld aan de stof. Hoe lang duren die werkzaamheden? Hoe vaak (per dag/kwartaal/jaar) verricht de werknemer die werkzaamheden?
- duur van de taak: hoe lang duurt de handeling of taak waarbij de werknemer met de stof in aanraking kan komen?
- frequentie: hoe vaak (per dag/kwartaal/jaar) worden de werkzaamheden uitgevoerd waarbij uw werknemer kan worden blootgesteld aan de gevaarlijke stof?
- stof te vervangen door minder schadelijke stof: geef aan waarom u de stof wel/niet kunt vervangen door een minder schadelijke stof
- preventiemaatregelen en persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s): welke (preventie- of beheers)maatregelen en welke PBM’s gebruikt u om uw werknemers te beschermen?

Bij kankerverwekkende stoffen (CMR-stoffen) moet u bovendien registreren:

- hoeveelheid van de stof waaraan uw werknemers blootgesteld kunnen worden: in liters/grammen
- hoeveelheid van de stof die uw bedrijf per jaar verbruikt: in liters/grammen
- noodzaak: geef aan waarom het gebruik van CMR-stoffen noodzakelijk is, of het gebruik van processen waarbij CMR-stoffen ontstaan
- frequentie: hoe vaak (per dag/kwartaal/jaar) worden de werkzaamheden uitgevoerd waarbij uw werknemer kan worden blootgesteld aan de gevaarlijke stof?
- namen: vermeld de namen van werknemers die met deze stoffen werken
- vervanging: als u CMR-stoffen vervangt door minder gevaarlijke stoffen, registreer dan: per wanneer, welke stof vervalt, welke stof gebruikt u nu. Registreer ook wanneer u processen vervangt door andere processen waarbij geen kankerverwekkende stoffen meer vrijkomen.
- register van blootstelling: registreer de namen van werknemers die toch zijn blootgesteld aan CMR-stoffen (hierbij moet ook de hoogte van de blootstelling worden vermeld)

Matrix voor registratie van gevaarlijke stoffen
Download hier een voorbeeld: stoffenregister.

Hoe bepaal ik de grenswaarde van een stof?

Er zijn vijf mogelijkheden:

1. Gebruik de wettelijke grenswaarde
Voor een aantal stoffen zijn de grenswaarden wettelijk vastgesteld. Deze vindt u op de website van de SER.

2. Gebruik het veiligheidsinformatieblad (VIB)/Safety Data Sheet (SDS)
Op het VIB van een stof staan vaak één of meerdere grenswaarden vermeld. Hiervoor wordt de term DNEL (Derived No Effect Levels) gebruikt. Dit zijn grenswaarden die de fabrikant aanbeveelt op basis van de Europese verordening REACH (Registratie, Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen). Kies de DNEL die het beste past bij de soort blootstelling binnen uw bedrijf.

3. Gebruik een buitenlandse grenswaarde
Op de website van de SER staan vaak grenswaarden vermeld uit andere Europese landen. Eventueel kunt u één van deze grenswaarden hanteren. Kies de buitenlandse grenswaarde die het beste past bij uw werksituatie.

4. Gebruik de kick-off-grenswaarde
Op www.dohsbase.nl staat een methode waarmee u kick-off-grenswaarden kunt afleiden. Dit zijn basis-grenswaarden, ze liggen doorgaans zeer laag. Deze grenswaarden gebruikt u alleen als u geen andere grenswaarde of gegevens kunt vinden.

5. Raadpleeg een deskundige
Een arbeidshygiënist (of een deskundige op hetzelfde niveau) kan de grenswaarde voor u vaststellen.

Let op! Als werkgever bent u verantwoordelijk voor het vaststellen van de juiste grenswaarde. Bij een inspectie moet u de gekozen grenswaarde kunnen onderbouwen.

Waar vind ik de gegevens over een gevaarlijke stof?

Deze gegevens haalt u voornamelijk van het veiligheidsinformatieblad (VIB). Dit heet ook wel: Safety Data Sheet (SDS). Bij mengsels noteert u alleen de componenten die op het VIB of SDS staan. Deze componenten zijn belangrijk bij de beoordeling van de blootstelling.

Geen VIB of SDS?
U hoort een VIB of SDS te krijgen van de leverancier van de stof. Heeft u geen VIB of SDS van een bepaalde stof? Dan bent u verplicht zelf informatie op te sporen. U kunt de leverancier of de fabrikant vragen om het VIB/SDS, zoeken op internet of de hulp inschakelen van een adviesbureau of uw brancheorganisatie. Wanneer helemaal niets bekend is over de stof, geldt: veiligheid boven alles. Neem alle denkbare maatregelen om gezondheidsschade te voorkomen.

Waarom zitten bij het ene VIB wel bijlagen en bij het andere niet?

De bijlagen bij het VIB zijn de 'blootstellingsscenario's'. Deze geven weer hoe u de stof gebruikt en welke maatregelen u daarbij moet nemen om de blootstelling te beheersen. Wanneer u een VIB met blootstellingsscenario's ontvangt, dan kunt u deze gebruiken bij uw blootstellingsbeoordeling (als u volgens dit scenario werkt). Blootstellingsscenario's zijn alleen verplicht voor stoffen die aan bepaalde voorwaarden voldoen.

Voor mengsels zijn blootstellingsscenario's niet verplicht; de informatie om een mengsel veilig te gebruiken staat in het VIB zelf, met name in de rubrieken 7 en 8. Voor sommige mengsels zijn generieke blootstellingsscenario's opgesteld.

Wat als ik geen VIB van mijn leverancier krijg, terwijl dit wel zou moeten?

U bent zelf verantwoordelijk voor gezond en veilig werken in uw bedrijf. Dit betekent dat u in dat geval zelf de benodigde informatie moet verzamelen. Pas dan kunt u de risico?s beoordelen en de juiste maatregelen nemen bij het werken met gevaarlijke stoffen. Dus ook als u géén VIB van uw leverancier krijgt, bent u verantwoordelijk. De eenvoudigste manier om de informatie te verzamelen is om het VIB alsnog op te vragen bij uw leverancier.

Hoe weet ik of het VIB van mijn leverancier in orde is?

Elk VIB moet voldoen aan de uitgebreide Bijlage II van de REACH-verordening. Het is daarom lastig om snel te controleren of de informatie in het VIB klopt. Om een eerste indruk te krijgen of het VIB in orde is, kunt u de VIB-check gebruiken. Als uit de VIB-check blijkt dat het VIB niet in orde is, kunt u de uitslag direct doorsturen aan uw leverancier met het verzoek om het VIB te verbeteren.

Waarom krijg ik niet van alle stoffen een VIB?

In een aantal gevallen moet uw leverancier een of VIB leveren bij alle stoffen en mengsels. Het gaat om stoffen en mengsels die:

- volgens de CLP-verordening zijn ingedeeld als gevaarlijk - deze zijn te herkennen aan een gevarenpictogram op de verpakking;
- persistent, bio-accumulerend en giftig of zeer persistent en zeer bio-accumulerend zijn - dit zijn slecht afbreekbare stoffen die schadelijk kunnen zijn voor het milieu;
- op de kandidatenlijst voor autorisatie staan.

In alle andere gevallen is een VIB niet verplicht. Soms moet het VIB wel op verzoek leverbaar zijn. Bijvoorbeeld als een mengsel zelf niet als gevaarlijk is ingedeeld, maar wel een - volgens de CLP-verordening - gevaarlijke component bevat. Veel leveranciers maken een veiligheidsinformatieblad of VIB voor al hun producten, ongeacht of deze als gevaarlijk zijn ingedeeld of niet.

Wanneer mag ik de kick-off-grenswaarde gebruiken?

U gebruikt de kick-off-grenswaarde alleen als u geen andere grenswaarde kunt vinden voor de stof.

- Kijk eerst of de stof een wettelijke grenswaarde heeft. Die staan op de website van de SER.
- Is er geen wettelijke grenswaarde? Zoek dan of de stof een private grenswaarde heeft. Bijvoorbeeld een DNEL op een VIB of een branche-grenswaarde. Of een buitenlandse grenswaarde in de SER-databank.
- Levert dat ook niets op? Dan mag u de kick-off-grenswaarde gebruiken. Op www.dohsbase.nl staat een methode waarmee u kick-off-grenswaarden kunt afleiden. U bepaalt deze grenswaarden aan de hand van de H- en P-zinnen (R- en S-zinnen).

Let op! Als werkgever bent u verantwoordelijk voor het vaststellen van de juiste grenswaarde. Bij een inspectie moet u de gekozen grenswaarde kunnen onderbouwen.

Welke kick-off-waarde kan ik gebruiken bij blootstelling aan stofdeeltjes in de lucht?

Is er een H-zin (R-zin) voor deze stof? Dan kunt u op www.dohsbase.nl de kick-off-grenswaarde bepalen voor de stof.

Is er geen H-zin (R-zin) voor deze stof en heeft de stof geen specifieke eigenschappen? Raadpleeg dan een deskundige, zoals een arbeidshygiënist of iemand op het niveau van een arbeidshygiënist.

Als een stof geen grenswaarde heeft, mag ik dan de grenswaarde nemen van een stof met dezelfde H-zin (R-zin) en een vergelijkbare dampspanning?

Nee, dat mag niet. Vergelijkbare stoffen kunnen toch heel verschillende gezondheidseffecten hebben.

Als een stof geen grenswaarde heeft, kunt u de kick-off-grenswaarde gebruiken.

Als een mengsel maar een klein percentage CMR-stof bevat, geldt het dan toch als een CMR-stof?

Dat hangt af van het percentage. Als een mengsel een C-, M- en/of R-component bevat en de concentratie van die component is groter dan of gelijk aan de waarde in deze tabel, dan geldt het mengsel als een CMR-stof.

H / R zinnen

Preparatenrichtlijn 1999/45/EG

Bijlage II deel B

Niet gasvormige preparaten

(gewichtsprocent) ³

Preparatenrichtlijn 1999/45/EG

Bijlage II deel B

Gasvormige preparaten

(volumeprocent) ³

Concentratiegrenzen*

in het mengsel ³

Bijlage 1 CLP

H340 (M)

R46

0.1

0.1

0.1

H341 (M)

R68

1

1

0.1

H350 (C)

R45 R49

0.1

0.1

0.1

H351 (C)

R40

1

1

0.1

H360 (R)

R60 R61

0.5

0.2

0.3

H361 (R)

R63

5

1

3

H362 (R)

 

 

3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*De concentratiegrenzen zijn van toepassing op vaste stoffen, vloeistoffen (gewichtsprocent) en gassen (volumeprocent)

 Voor de indeling en etikettering geldt (overgangsregeling):

Vanaf 1 december 2010:

- Indelen, etiketteren en verpakken van mengsels moet gebeuren volgens Richtlijn 1999/45/EG. Maar de fabrikant mag hierbij ook alvast de richtlijnen van EU-GHS te volgen.
- Als chemische stoffen of mengsels zijn ingedeeld én geëtiketteerd volgens EU-GHS, dan moet de fabrikant tot 1 juni 2015 in het veiligheidsinformatieblad (VIB) vermelden: de indeling van de stof, het mengsel en bestanddelen daarvan volgens EU-GHS, Richtlijn 67/548/EG en Richtlijn 1999/45/EG.
- Als mengsels zijn ingedeeld volgens EU-GHS (maar niet geëtiketteerd), dan mag de fabrikant tot 1 juni 2015 in het VIB vermelden: de indeling volgens Richtlijn 1999/45/EG en EU-GHS.

Na 1 juni 2015 geldt:

- Indelen, etiketteren en verpakken van chemische stoffen en mengsels moet gebeuren volgens EU-GHS.
- De Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG worden ingetrokken.
- Mengsels die zijn geleverd vóór 1 juni 2015 mogen nog tot 1 juni 2017 zijn geëtiketteerd en verpakt volgens de oude richtlijnen.
- De fabrikant moet in het VIB vermelden: de indeling van chemische stoffen en mengsels volgens EU-GHS.
- De 2e ATP (EG.nr.286/2011) treedt in werking. Mengsels die zijn geleverd vóór 1 december 2015 hoeven tot 1 december 2017 niet te voldoen aan de 2e ATP.

Hoe en wat moet ik beoordelen?

Voor elke gevaarlijke stof waarmee uw werknemers in contact komen, beoordeelt u de aard, mate en duur van de blootstelling. Dat wil zeggen:

- het soort stof en het risico daarvan
- hoe komt de werknemer in contact met de stof (luchtwegen, huid, ogen)
- hoe sterk is de blootstelling (contact met hoge/lage concentratie)
- hoe lang duurt de blootstelling

U kunt hiervoor de volgende beoordelingsmethoden gebruiken:

Beoordelingstool
Kies een beoordelingstool die is geaccepteerd door de Inspectie SZW. Dat zijn:

- de Stoffenmanager
- Ecetoc-TRA
- EMGK Expo-tool
- Advanced Reach Tool (ART)
- andere modellen van ECHA, die vermeld zijn in richtlijn R14

Let op! Voor een juiste beoordeling vult u de tool in zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Als u gebruikmaakt van EASE, of andere kwantitatieve evaluatiemodellen, moet u kunnen aantonen dat de resultaten betrouwbaar zijn. Bijvoorbeeld door metingen te doen. Of door een aantal van de scenario’s ook door te rekenen met een goedgekeurde beoordelingstool.

Eigen beoordelingsmethode
Een andere kwantitatieve beoordelingsmethode is ook toegestaan. Deze methode moet wel verantwoord zijn; u moet aantonen dat de uitkomst uit uw beoordelingsmethode vergelijkbaar is met die van een geaccepteerde tool (zie hierboven). Dit doet u bijvoorbeeld met controlemetingen, relevante wetenschappelijke literatuur of door een aantal scenario’s door te rekenen met de geaccepteerde tool. U kunt ook gebruikmaken van beoordelingsmethodes die door de Europese verordening REACH worden geaccepteerd. De Inspectie SZW accepteert deze methodes zolang u zich houdt aan de randvoorwaarden.

Aanvullen beoordelingsmethode: blootstellingscenario’s
Blootstellingscenario’s kunnen handig zijn bij de beoordeling van de blootstelling. Bij veel veiligheidinformatiebladen (VIB’s) zijn blootstellingscenario’s opgenomen. De Inspectie SZW heeft voor het gebruik van deze ‘exposure scenarios’ enkele aandachtspunten opgesteld. Deze punten vindt u in de brochure Handreiking REACH en Arbo.

Meten
U kunt de blootstelling aan gevaarlijke stoffen bepalen door middel van metingen. Dat kan kostbaar zijn. Zorg dat u gebruikmaakt van geschikte, genormeerde meetmethodes. Zie hiervoor NEN689 en NEN 487.

Let op: beoordeel verschillende situaties
Werknemers kunnen met verschillende stoffen in aanraking komen. Sommige werknemers worden af en toe aan een enkele stof blootgesteld. Anderen regelmatig aan verschillende combinaties. U moet daarom alle mogelijke situaties apart beoordelen: loopt uw werknemer hier een risico? Beoordeel de blootstelling zonder het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (bijvoorbeeld een stofmasker).

Welke beoordelingstools accepteert de Inspectie SZW?

Dat zijn:

- de Stoffenmanager
- Ecetoc-TRA
- EMGK Expo-tool
- Advanced Reach Tool (ART)
- andere modellen van ECHA, die vermeld zijn in richtlijn R14

Als u gebruikmaakt van EASE, of andere kwantitatieve evaluatiemodellen, moet u kunnen aantonen dat de resultaten betrouwbaar zijn. Bijvoorbeeld door metingen te doen. Of door een aantal van de scenario’s ook door te rekenen met een goedgekeurde beoordelingstool. U kunt de betrouwbaarheid van uw evaluatiemodel eventueel ook aantonen met wetenschappelijke literatuur waarin dit model is onderzocht en positief gewaardeerd.

Als werkgever bent u ervoor verantwoordelijk dat er een betrouwbare kwantitatieve evaluatie komt.

Maakt het verschil voor de controle als ik de beoordeling laat doen door eigen mensen of door een arbodienst?

Dat hangt ervan af. Als uw eigen beoordelaar een deskundige is op het niveau van een arbeidshygiënist, dan maakt de inspecteur geen onderscheid tussen uw eigen beoordeling en de beoordeling door een arbodienst. De inspecteur zal bij een controle altijd dezelfde stappen doorlopen. De inspecteur neemt een steekproef van een behoorlijk aantal stoffen en controleert voor al die stoffen:

- of het blootstellingsniveau per taak/handeling is bepaald
- of de blootstelling is getoetst aan de grenswaarde van de stof
- of de blootstelling volgens een geaccepteerde methode is vastgesteld
- of u het daggemiddelde heeft berekend voor componenten die in meerdere stoffen voorkomen
- of u rekening heeft gehouden met gecombineerde blootstelling bij stoffen die min of meer dezelfde schadelijke effecten veroorzaken

Wanneer moet ik de componenten van een stof registreren en beoordelen?

In principe altijd. De meeste stoffen waarmee u werkt, bestaan uit een mengsel van verschillende stoffen. U moet in dat geval per stof registreren:

- uit welke componenten de stof bestaat
- hoeveel procent van elke component in het mengsel zit
- wat de grenswaarde van die component is
- wat de blootstelling is van uw werknemers aan die component

Als een werknemer in aanraking komt met verschillende stoffen, en die stoffen bevatten dezelfde component, dan moet de totale blootstelling per dag (= het daggemiddelde) beneden de grenswaarde blijven. U bepaalt het daggemiddelde door de blootstelling aan die component uit de verschillende stoffen bij elkaar op te tellen.

Gecombineerde blootstelling
Kijk uit voor gecombineerde blootstelling aan verschillende oplosmiddelen. Die bevatten verschillende componenten die min of meer hetzelfde schadelijke effect hebben. Dat effect stapelt zich op. Ook als de blootstelling per component dan beneden de grenswaarde blijft, kan het totale effect de gezondheid van uw werknemers schaden. U kunt berekenen of de gecombineerde blootstelling de toegestane grens niet overschrijdt, maar het is handiger om gecombineerde blootstelling zo veel mogelijk te vermijden. Vervang zo mogelijk de schadelijke stoffen door minder schadelijke stoffen en zorg voor goede beschermingsmiddelen.

Berekening van gecombineerde blootstelling

- Bereken voor elke component: de blootstelling gedeeld door de grenswaarde van die component.
- Tel de uitkomsten bij elkaar op.

De uitkomst van deze optelling moet lager zijn dan 1. Bij een hogere waarde moet u maatregelen nemen. Uw werknemers lopen dan een te hoog gezondheidsrisico.

Hoe beoordeel ik de combinatie van verschillende oplosmiddelen?

Kijk uit voor gecombineerde blootstelling aan verschillende oplosmiddelen. Die bevatten verschillende componenten die min of meer hetzelfde schadelijke effect hebben. Dat effect stapelt zich op. Ook als de blootstelling per component dan beneden de grenswaarde blijft, kan het totale effect de gezondheid van uw werknemers schaden. U kunt berekenen of de gecombineerde blootstelling de toegestane grens niet overschrijdt, maar het is handiger om gecombineerde blootstelling zo veel mogelijk te vermijden. Vervang zo mogelijk de schadelijke stoffen door minder schadelijke stoffen en zorg voor goede beschermingsmiddelen.

Berekening van gecombineerde blootstelling

- Bereken voor elke component: de blootstelling gedeeld door de grenswaarde van die component.
- Tel de uitkomsten bij elkaar op.

De uitkomst van deze optelling moet lager zijn dan 1. Bij een hogere waarde moet u maatregelen nemen. Uw werknemers lopen dan een te hoog gezondheidsrisico.

Moet ik werkzaamheden in de zuurkast ook beoordelen?

Ja. U moet de werkzaamheden in de zuurkast meenemen bij uw inventarisatie en beoordeling van gevaarlijke stoffen. Bij de beoordeling kunt u een containmentmeting gebruiken om een schatting te maken van de eventuele blootstelling.

De ene zuurkast is de andere niet. Let erop dat de zuurkast geschikt is voor de experimenten die u daarin wilt uitvoeren. Factoren die het (inhalatie)risico bij een experiment in een zuurkast bepalen zijn:

- de hoeveelheid te bewerken stof;
- de vluchtigheid of verdelingsgraad van de stof onder de gegeven omstandigheden;
- de aard van de bewerking (open of gesloten);
- de giftigheid van de stof;
- de ontvlambaarheid en de explosiegrenzen van de stof.

Wij zijn een afvalverwerkingsbedrijf. Moet ik de afvalstoffen ook registreren en beoordelen?

Dat hoeft niet tot in detail. Maar u moet wel inzicht hebben in de verschillende soorten stoffen die er binnenkomen. Maak daarvan een inventarisatie. Op basis van deze kennis zorgt u voor een goede bescherming van uw medewerkers. Neem structurele maatregelen om blootstelling te voorkomen. En zorg dat uw medewerkers zich bewust zijn van de risico’s. Geef goede voorlichting!

Zorg voor een goed calamiteitenplan, dat is toegesneden op de gevaren die kunnen ontstaan bij brand, ontploffing of andere calamiteiten.

Let ook op de voorschriften voor de opslag van gevaarlijke stoffen. Sommige afvalstoffen mogen niet bij elkaar worden opgeslagen. Zie hiervoor Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15).

Wanneer mag ik de blootstelling toetsen aan de grenswaarde van het mengsel?

De meeste stoffen waarmee u werkt, bestaan uit een mengsel van verschillende stoffen. Het komt niet vaak voor dat er een grenswaarde is bepaald voor het mengsel als geheel. Benzine is een voorbeeld van een mengsel met een eigen grenswaarde, namelijk 240 mg/m³. In dit geval mag u de blootstelling van uw werknemers toetsen aan deze grenswaarde.

De meeste mengsels hebben geen eigen grenswaarde. In dat geval moet u de blootstelling van uw werknemers per component beoordelen. U toetst dan de blootstelling aan de grenswaarden van de verschillende componenten.

Mag ik een mengsel beoordelen aan de hand van de meest gevaarlijke component?

Ja, dat mag. Maar alleen als de keuze voor deze component goed is onderbouwd. Zo’n component wordt vaak een ‘marker’ genoemd. Een grote oliemaatschappij gebruikt bijvoorbeeld benzeen als markercomponent voor de risicobeoordeling van crude oils en benzine.

U kunt ook een andere component gebruiken als marker. Het gaat altijd om de meest risicovolle component in het mengsel. Laat een arbeidshygiënist (of een andere deskundige op het niveau van een arbeidshygiënist) beoordelen welke component hiervoor geschikt is. De deskundige moet ook rekening houden met het risico van gecombineerde blootstelling. Die treedt op als uw werknemers in contact komen met verschillende stoffen die min of meer hetzelfde schadelijke effect op de gezondheid hebben. Ook als de blootstelling per stof onder de grenswaarde blijft, kan de gecombineerde blootstelling dan toch gevaarlijk zijn voor de gezondheid.

Welke maatregelen zijn geschikt?

Dat verschilt natuurlijk per branche en per bedrijf. Bestaat er een arbocatalogus voor uw branche? Dan staan hierin vaak maatregelen om de blootstelling van gevaarlijke stoffen te verminderen. Houd altijd rekening met de specifieke situatie in uw bedrijf. Beoordeel zelf of de maatregelen in de arbocatalogus effectief genoeg zijn voor uw situatie. Klik voor een overzicht van alle arbocatalogi.

Wat is de arbeidshygiënische strategie?

Met deze strategie kiest u steeds voor maatregelen die zo effectief mogelijk zijn en die zoveel mogelijk werknemers beschermen. De beste maatregelen nemen het risico geheel weg. Probeer dat eerst. Als dat niet kan, ga dan een stapje lager. Dus:

  1. vervang de gevaarlijke stof
  2. zorg dat de gevaarlijke stof niet vrijkomt
  3. neem een maatregel die alle medewerkers beschermt
  4. geef persoonlijke beschermingsmiddelen aan individuele medewerkers
Moet ik de blootstelling altijd meten?

Nee, dat hoeft niet. U kunt de blootstelling ook beoordelen.

Waar kan ik terecht voor informatie en ondersteuning?

Als u geen deskundigheid in huis hebt op het gebied van gevaarlijke stoffen, kunt u externe hulp inschakelen. Bijvoorbeeld:

- gespecialiseerde bureaus
- rbodiensten met arbeidshygiënisten
- rancheverenigingen, zoals de Nederlandse Rubber-, Lijm- en Kunststofindustrie (NRK) en de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI)
- vakverenigingen, zoals de Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne (NVVA) en de Nederlandse Vereniging voor Veiligheidskunde (NVVK)

U blijft als werkgever altijd zelf verantwoordelijk voor de veiligheid en gezondheid binnen uw bedrijf!

Online kennis vinden
Natuurlijk kunt u tips en praktijkvoorbeelden vinden op diverse internetsites. Soms moet u voor die informatie betalen. Voorbeelden: de Stoffenmanager en de arbo-informatiebladen van de Sdu.

Op het internet is veel nuttige informatie te vinden, maar let altijd op de herkomst en de betrouwbaarheid van de informatie. De publicaties van andere organisaties worden niet gecheckt door de Inspectie SZW.

Kan ik de actiepunten meenemen naar mijn ondernemingsdossier?

Op dit moment kan dat alleen als u bent aangesloten bij de NRK (Nederlandse rubber- en kunststofindustrie). Dat gaat zo:

- Log in op www.mijnondernemingsdossier.nl
- Open de zelfinspectie vanuit uw ondernemingsdossier. U vindt hem op het tabblad Maatregelen, en dan onder ARBO (gevaarlijke stoffen).
- Doorloop de zelfinspectie.
- Na elke stap kunt u de actiepunten versturen naar uw ondernemingsdossier.

Moet ik nog meer doen na het doorlopen van de zelfinspectietool Gevaarlijke stoffen?

Dat hangt ervan af. Blootstelling aan gevaarlijke stoffen is maar één onderdeel van uw Arbobeleid. Om te beoordelen of uw organisatie in het algemeen ?Arbo-proof? is, raadpleegt u de zelfinspectie Arbo-op-orde! En als uw bedrijf direct of indirect met chemische stoffen werkt, heeft u ook wettelijke verplichtingen vanuit de Europese verordeningen REACH en CLP. Bijvoorbeeld als u chemische stoffen importeert, produceert, mengt, verhandelt, opslaat of gebruikt. Check wat u moet doen op de RIVM-website Chemische stoffen goed geregeld!

Kijk ook op Arboportaal of raadpleeg de publicatiereeks Gevaarlijke stoffen.